Vissershaven en vishallen

Nadat het Noordzeekanaal in 1876 was geopend bleek dat de aangelegde pieren een mooie beschutting vormden voor de vissersschepen. Hoewel het aantal vissersvaartuigen steeds vermeerderde, nam de regering geen enkele maatregel om voor deze schepen een behoorlijke ligplaats te creëren. Niet alleen dat de sloepen en kotters in het toeleidingskanaal kans liepen aangevaren te worden, maar zij veroorzaakten ook een ernstige belemmering voor de grote scheepvaart, omdat zij de doorvaart van en naar de sluizen versperden. Klachten uit Amsterdamse scheepvaartkringen bleven dan ook niet uit. Reeds vele jaren hadden deze er bij de regering op aangedrongen dienaangaande maatregelen te treffen.

Hoewel de belangen van het visserijbedrijf niet het uitgangspunt waren – zoals duidelijk bleek uit de betreffende memorie van toelichting – gaven deze klachten de regering aanleiding om op 22 september 1886 een wetsontwerp bij de Tweede Kamer in te dienen, dat inhield: ’voorstellen tot het bouwen van een nieuwe sluis en het vervaardigen van werken, nodig om te IJmuiden een bruikbare visschershaven aan de Noordzee te maken, zonder de groote scheepvaart te belemmeren’.

De wet van 31 mei 1887 gaf aan IJmuiden zijn vissershaven, een wet, waaraan als bij zovele belangrijke waterstaatswerken in Nederland, de naam van Minister Lely verbonden was. In 1889 begon men de duinenreeks te egaliseren en in 1890 werd een aanvang gemaakt met het graven van de put. Door de steeds verder gaande mechanisatie maakte men gebruik van de modernste middelen. Sterke locomotieven brachten de wagons zand uit de put via Haarlem naar Amsterdam of het werd over een smalspoor met kiepkarren naar de ballaststeiger vervoerd.

Op 1 juli 1896 werd de vissershaven voor de visvaart opengesteld. Aan de noordzijde van de haven, op de plaats later bekend als de Tegeltjesmarkt, werd een houten vishal opgericht met een kademuur van 400 meter. Aan de zuidzijde van de haven bouwde men een aanlegsteiger, waaraan de vaartuigen een veilige ligplaats vonden gedurende de tijd, dat zij uitgerust werden voor een nieuwe reis.

De steeds toenemende trawlervloot en het veelvuldig bezoek van buitenlandse vissersvaartuigen maakte het noodzakelijk dat de haven werd vergroot. In 1898 werd een aanvang gemaakt met de werkzaamheden. De oorspronkelijke lengte van de haven (545 meter) werd op 730 meter gebracht, de breedte van de bodem (120 meter) op 150 meter en de diepte (5,10 meter) op ongeveer 6 meter onder N.A.P. Aan de zuidwestzijde van de haven had men een inham gegraven; de z.g. ‘Zandhaven’.

Ten behoeve van de talrijke Urker vissers bouwde men in de Zandhaven een houten aanlegsteiger, waaraan de overblijvende botters ‘s zaterdags en ‘s zondags konden afmeren. De Zandhaven werd later in gedeelten vergroot en de daar geplaatste aanlegsteiger bleek uitermate geschikt voor het insteken van de Katwijker haringloggers, die voorheen de doorvaart belemmerden in het Noordzeekanaal. Door Rijkswaterstaat werd een plan ontworpen om de Zandhaven door een bocht af te buigen naar de vissershaven, zodat beide havens een geheel zouden vormen. Volgens het plan zouden de vissersboten de Vissershaven op de gebruikelijke wijze binnenlopen, aan de hallen de vis lossen en vervolgens rondvaren naar de (latere) Haringhaven, om daar te worden uitgerust voor de volgende reis. Een beweegbare brug zou de verbinding vormen met het industrieterrein aan de zuidzijde van de haven. Omdat de kosten de raming ver overtroffen werd van dit ingenieuze plan afgezien.

De eerste stenen vishal – in 1899/1900 gebouwd – was 145 meter lang en 15 meter breed. Vóór de bouw van deze hal werd de houten hal verplaatst naar de noordoosthoek van de haven. Rond de eeuwwisseling werden er in de nieuwe hal ingrijpende wijzigingen aangebracht. Ten dienste van de vishandel werden pakruirnten, aanvankelijk alleen op de galerij, en vervolgens ook daaronder, ingericht. Men maakte gebruik van een lift om de vis naar de pakhuizen te vervoeren. In 1904/05 werd een tweede vishal opgericht van 130 meter lang en 25 meter breed, waaronder een grote kelder voor haringopslagplaats. De eerste stenen vishal werd in de volksmond aangeduid als ‘de hal van Lely’.

De eerste directeur van de vissershaven was J. M. Bottemanne, die in 1909 werd opgevolgd door de toenmalige administrateur F. J. H. Schneiders. In 1911 werd een reorganisatie in de bedrijfsleiding doorgevoerd. De functie van directeur werd op 1 april 1911 afgeschaft en op diezelfde datum werd de ingenieur van Rijkswaterstaat, J. J. Canter Cremers, benoemd tot ingenieur en belast met het toezicht en beheer van de Vissershaven. Ook onder zijn beheer komen weer tal van nieuwe werken tot stand. De houten vishal werd in 1913 afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe vishal.

Aan de Bik en Arnoldkade werden de houten trappen en de afritten naar de vishallen gesloopt en vervangen door de visbrug, die toegang gaf tot de hallen en naar het toentertijd nieuwe administratiegebouw.

Gedurende de oorlogsjaren (1914/18) werd de Vissershaven verlengd en de eerste Tegeltjesmarkt gebouwd. De Zandhaven werd verlengd en omgedoopt in Haringhaven. Beneden de visbrug lieten de spoorwegen een nieuw los- en laadstation oprichten en nieuwe spoorbanen aanleggen, waardoor de ruimte achter hal C aanzienlijk werd verbreed. Om deze nieuwe spoorbanen te kunnen aanleggen was het nodig de begroeide glooiing aan de Bik en Arnoldkade te vervangen door een betonnen muur. Als gevolg van deze ingrijpende veranderingen begonnen vele woningen aan de kade te verzakken en te scheuren, zodat deze door zware balken en steigerpalen moesten worden gestut.

Door het Rijk werden reeds in 1897 aan de zuidzijde van de Vissershaven industrieterreinen in erfpacht gegeven en wegen aangelegd; havenverlichting en verlichting van de vishal kwamen tot stand; en zo ontstond er in de loop der jaren in de omgeving van de haven een bloeiende industrie. Zonder zijn Vissershaven, vishallen en aanverwante bedrijven was IJmuiden ondenkbaar.

Op dit moment wordt in het museum de industriezaal opnieuw ingericht. In de nieuwe expositie wordt ook uitgebreid aandacht gegeven aan de havens en de visindustrie.