Wanneer een schip met een magnetisch kompas de pieren bij IJmuiden in- of uitvaart zal zonder ingrijpen, de koers 11,5 graden naar stuurboord afwijken. Over de volle breedte van de doorgang bij de oude pierhoofden ligt het indertijd grootste Nederlandse passagierschip in de bodem. Deze enorme hoeveelheid ijzer zorgt voor de magnetische afwijking.


Op 12 Juni 1915 vertrok het nieuwe vlaggenschip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) en op dat moment
ook het grootste schip (afmetingen: 143,47 x 18,39 x 11,89 m) dat ooit in Nederland was gebouwd van Amsterdam naar IJmuiden voor haar proefvaart  en meerde het af in de één van de sluizen. Hier kwamen de gasten aan boord die de proefvaart mee zouden maken. Op de valreep werden zij ontvangen door SMN  directeur J.B.A.Jonckheer. Kapitein H.G.J.Uylkens nam op dat moment nog wat
punten door met de loods en enkele van zijn officieren die op
de brug aanwezig waren.

Tot de aanwezige gasten behoorden vier ministers, de burgemeester van Amsterdam en twee wethouders. Verder waren er een groot aantal hoge ambtenaren, belangrijke zakenrelaties en de raden van commissarissen en de directies van werf en rederij aanwezig. De ministers en de burgemeester waren vergezeld van hun dames. Nadat iedereen ingescheept was kwam het schip in beweging en verliet de sluis richting zee. Vooruit voer de sleepboot Cycloop van Zurmülen.

De zee was glad op deze zomerse dag. Buitengaats gekomen voer het SS Jan Pieterszoon Coen richting zuiden langs Zandvoort, Katwijk, Noordwijk en Scheveningen. Tijdens de lunch werd er een Onderzeeboot waargenomen. Men was natuurlijk bang dat het één van de gevreesde Duitse U-Boten was maar het bleek een “eigen” onderzeeër te zijn dat ’s middags het SS Jan Pieterszoon Coen boven water om 16.00 uur naar IJmuiden begeleidde. Tijdens de proefvaart werd de vlag van de werf gestreken en de vlag van de SMN gehesen waar mee het schip door de rederij was overgedragen aan de rederij.


Op 11 september 1915 vertrekt het schip om 15.00 uur uit de hoofdstad voor haar eerste reis van Amsterdam naar Batavia nog via de Middellandse Zee en het Suez Kanaal.  Op 1 Januari 1916 vertrekt het SS Jan Pieterszoon Coen van Amsterdam naar Batavia voor haar 2e rondreis via Kaap de Goede Hoop en Kaapstad  naar Batavia waar het op 17 Februari 1916 aankomt. Op 6 Mei was het schip weer terug in de thuishaven Amsterdam. Het laatste deel van de reis door de Noordzee werd onder begeleiding van de sleepboot Roode Zee gemaakt. Door de 1e WO werd het schip na 2 reizen in maart 1919 in Amsterdam opgelegd. Na de oorlog kwam het weer in de vaart. Op 28 Juni 1939 vertrok het schip voor haar laatste reis van Batavia naar Amsterdam waarna het op 29 Juli 1939 werd opgelegd. Het bijna 150 m lange schip zou worden gesloopt.


Toen de oorlog uitbrak en de Nederlandse Marine door het afzinken van diverse schepen het Noordzeekanaal wilde blokkeren om te voorkomen dat grote Duitse schepen het kanaal konden gebruiken, werd in eerste instantie de ‘Bodegraven’ daarvoor aangewezen. Maar omdat de Coen ouder en langer was werd deze met hulp van het SMN sleepbootje Atjeh vanuit Amsterdam naar de sluizen gebracht. Daar werd de Coen vol met springlading geladen om daarna door de sleepboten Nestor en Stentor naar de gewenste afzinkpositie gesleept te worden, waarna de sleepboten ook zouden
worden afgezonken.

Helaas had een overijverige Engelse marine-officier te vroeg opdracht gegeven de Nestor en Stentor te laten zinken. Hierdoor moesten de havensleepboot Atjeh en Hr. Ms. M3 de Coen opslepen. Door het trekkende tij dreef de Coen naar buiten en de beide op volle kracht stomende sleepbootjes konden hier weinig tegen uitrichten. Ongeveer op het moment dat de Coen dwars kwam tussen de pieren, verscheen er een vijandelijk vliegtuig die de Coen met boordwapens bestookten. Toen een ander vliegtuig een magnetische mijn vlak voor de boeg van de M3 gooide en een tweede mijn tussen de havenhoofden, werd de order gegeven om de springladingen tot ontploffing te brengen. Na 5 minuten begon de Coen te zinken, eerst maakte het schip slagzij, maar het richtte zich kort daarna weer op. Het schip lag midden tussen de pieren, de kop bij de zuiderpier. Tussen de achtersteven en de noorderpier was een opening van 75 m. Hierin werd de M3 afgezonken. Het Noordzeekanaal zou tot eind 1943 ontoegankelijk blijven voor grote schepen, ondanks pogingen van de Duitsers om het wrak eerder op te ruimen.

Na de oorlog werd het schip middendoor gezaagd en het bovenste gedeelte verwijderd. Daarna werd het wrak met hulp van de Royal Navy met dieptebommen opgeblazen en verwijderd. Veel schroot bleef daardoor achter op de bodem en om de diepte van de vaargeul op 45 voet te brengen was men in 1960 genoodzaakt om de wrakstukken met zandzuigers naar grotere diepten te laten weg zakken. Waar ze nu nog steeds liggen.

In het museum is nog veel meer over het ss. Jan Pieterszoon Coen te zien.

Bronnen: stoomvaartmaatschappijnederland.nl, tracesofwar.nl, maritiem-digitaal.nl, bibliotheek zee- en havenmuseum