Simon Bolivar

Het stoomschip Simon Bolivar van de KNSM is in 1927 gebouwd bij de Rotterdamse Droogdok Maatschappij en was het eerste grote passagiersschip dat deze werf bouwde. Het had een lengte van 134 meter en breedte van 18 meter en met zijn twee grote schoorstenen met witte banden maakte het indruk. Met klassieke betimmering was het een luxe schip, het kwam van de tekentafels van het eigen KNSM bouwbureau.

Een quadripple expansiemachine van 4800 pk zorgde dat de Simon Bolivar een vaart van ong. 14 à 15 mijl/hr. kon halen.

Het bood aan 238 passagiers accommodatie in 3 klassen en had een bemanning van 130 en maakte vele oversteken van Amsterdam naar West Indië en retour
Het schip was vernoemd naar de Zuid-Amerikaanse vrijheidsstrijder en maakte reizen vanuit A’dam via Funchal (Madeira), Trinidad, La Guaira naar Curaçao en had uiteraard naast passagiers een flinke gemengde lading.

Op 17 november 1939 om 22.00 uur verliet het schip Amsterdam en op zijn laatste dag om 02.00 uur passeerde hij de sluizen van IJmuiden op weg naar Engeland.

Om 11.25 uur was er aan stuurboordzijde een explosie in laadruimte twee, waar bloembollen lagen opgeslagen. Tien minuten later volgde een tweede explosie aan bakboordzijde.

Het schip zonk snel voor de westkust van Engeland bij Harwich, een mijl ten zuiden van het lichtschip Sunk. Alleen de twee schoorstenen bleven boven water. De route die de Simon Bolivar volgde, stond bekend als ‘mijnenvrij’. Toch is de officiële verklaring dat het schip is gezonken door ontploffing van twee magnetische mijnen.

Geliefden overleefden scheepsramp op de vlucht voor Nazi-Duitsland

Foto: Martin Cohen

Het verhaal van Flory en Felix van Beek
In het verleden probeerde Flory van Beek een aantal malen haar oorlogsverhaal op papier te zetten, maar telkens werd zij overmand door emoties. In 1997 vond ze dat zij haar familie verplicht was te vertellen over haar oorlogsgeschiedenis en schreef ze haar verhaal uiteindelijk toch op. Haar Duits-Joodse vriend Felix was al in 1933 met zijn moeder gevlucht uit Nazi-Duitsland. Hij waarschuwde de familie Van Beek voor het dreigende antisemitisme en wilde met Flory trouwen om samen naar Latijns-Amerika te vluchten. Op de Noordzee stuitte hun schip echter op een Duitse mijn.

De scheepsramp
Flory van Beek: “Ik was 16 jaar toen ik in 1937 de man van mijn dromen leerde kennen. Op mijn tennisvereniging nodigde hij me uit voor een dubbelspel en zo werden we vrienden. Felix was 26 jaar en met zijn moeder was hij als Duitse Jood gevlucht voor het toenemende antisemitisme in Nazi-Duitsland. Felix kwam vaak bij ons thuis en waarschuwde mijn ouders keer op keer voor het dreigende gevaar.

Op een dag vroeg Felix mijn ouders toestemming om mij mee te nemen naar Latijns-Amerika. In november 1939 vertrokken wij op de ss Simon Bolivar richting Engeland, toen het schip op twee Duitse mijnen stuitte. Er zat 15 minuten tussen de eerste en tweede explosie, waarna het schip binnen enkele minuten zonk. Tijdens de eerste explosie kreeg ik zonder het te beseffen in de chaos een glasscherf van een patrijspoort in mijn nek. Felix wist mij te overtuigen me vast te klampen aan een stuk hout. Zo dobberden we in de vrieskou tussen de lijken en de zwaargewonden een tijd op zee, de wanhoop nabij. De Engelse marine viste ons uit de ijskoude Noordzee. We behoorden tot de zwaarst getroffenen van de scheepsramp. Ik werd met een andere boot naar de Engelse kust gebracht. Zodoende verloren wij elkaar uit het oog.“

Een wonder
“Tijdens een zware operatie in een Engels ziekenhuis verwijderden de doktoren de glasscherf uit mijn nek, die slechts een millimeter verwijderd was van mijn halsslagader. De scherf draag ik nog iedere dag in mijn  portemonnee. Als ik er naar kijk, dan besef ik dat het een wonder is dat ik die scheepsramp heb overleefd. Via een contactpersoon van de Nederlandse ambassade hoorde ik dat Felix nog vele operaties moest ondergaan en dat hij waarschijnlijk niet meer zou kunnen lopen. Uiteindelijk genas Felix wonderbaarlijk snel en na vijf en halve maand revalidatie kon hij toch weer lopen. In april 1940 hoorden we dat Hitler Denemarken en Noorwegen was binnengevallen. Felix wilde graag in Engeland blijven en vroeg voor ons een verblijfsvergunning aan, maar de Engelsen weigerden hem dit vanwege zijn Duitse nationaliteit. We moesten terugkeren naar Nederland om onze papieren in orde te brengen. Tijdens de scheepsramp waren we alles kwijtgeraakt. Het scheepvaartbedrijf, de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij, had onze medische zorg en ons verblijf in Engeland betaald. Op 2 mei 1940 werden we opgehaald door iemand van de Nederlandse ambassade die ons begeleidde naar het vliegveld. Hier kunt u het verhaal van Flory en Felix verder lezen.

In het museum vindt u meer informatie over de Simon Bolivar en in de expositie ‘NAAR ZEE’ hangt een mooi schilderij van dit schip.

Bronnen: rdm-archief.nl; maritiem-digitaal.nl; verhalenoverdeoorlog.nl, fredboom.nl