Eén man keerde niet terug. De sloep met vijf man was een speelbal der golven, maar de Neeltje Jacoba kwam juist op tijd .

Het is in de vroege ochtend op 5 december 1949 om een uur of acht, als de negen geredden bijeenzitten bij koppen warme koffie en een hartige hap, in Augusta in IJmuiden. En dan, als ze de ergste kou zijn kwijtgeraakt, beginnen de verhalen. Wat verward eerst, maar allengs duidelijker: zij herinneren zich de kleine bijzonderheden, zij herinneren zich de tijd, zij zijn dankbaar en spreken vol lof over de doortastendheid van schipper Jaap van der Meulen van de Neeltje Jacoba, die er – op dit vroege uur – zijn zoveelste redding weer op heeft zitten.

In de sinterklaasnacht van 1949 stormde het op de Noordzee uit richting WNW. Die nacht kwam de kustvaarder Sandbergen voor IJmuiden in moeilijkheden. Het schip was met een lading gietblokken onderweg voor de Hoogovens. Bij het aanlopen van IJmuiden was het noodweer. Het waaide kracht 11, met sneeuw en hagel en de loodsdienst was gestaakt.

De hele reis met de kustvaarder Sandberger, zo vertelden de mannen, was prima verlopen. Tussen de Engelse haven Warkington en IJmuiden hadden zij veel zwaar weer gehad, maar er was niets bijzonders. Als de loodsdienst van IJmuiden niet gestaakt geweest was, zouden zij zondagavond om tien uur IJmuiden zijn binnengelopen, maar nu dat wel het geval was, gingen zij liggen steken tegen de zuidwester, die woedde.

Lichtmatroos Jan Stegmeijer herinnert zich dat alles goed. Om drie uur was hij, van de wacht komend, bezig koffie te maken voor de jongens, die toen opkwamen. Plotseling, zo vertelt hij, kwam de tweede machinist, Kees Plug, uit IJmuiden, naar boven rennen en schreeuwde, dat er een meter water in de machinekamer stond. Er moet een roerpot uit de roeras zijn losgeslagen, zonder dat iemand vermoedde, dat er hier iets niet in orde was. De lichtmatroos zag het met zijn eigen ogen: het water in de machinekamer steeg snel en meteen had ook stuurman Koos Abbo uit IJmuiden kapitein Arie Roossie (een Delfzijlenaar) gewaarschuwd, die onmiddellijk ging seinen. Nauwelijks, had hij Scheveningen-Radio opgeroepen, of hij had al contact. “Het zal zo’n vaart wel niet lopen”, was hij van mening…. “als de machinekamer vol loopt, hoeft er nog niets met de ruimen te gebeuren en dan houden we de boel nog wel drijvende”. Maar zijn mening werd geen waarheid.

Snel begon het schip te zinken en de mannen van de wacht porden hun slapende makkers en ieder schoot in zijn zwemvest. Zo ver kwam het, dat de kapitein het beter vond een sloep te strijken. Maar of het geluk hem nu tegen zat of dat de storm juist in kracht toenam: de sloep sloeg om, nog in de kabels hangende, en liep vol water. Het waren de matrozen Meeuwsen en Wijshuizen, die onmiddellijk gingen hozen, maar terwijl zij daar in het noodweer en de zwarte duisternis mee bezig waren, braken de kabels en spoelde de sloep weg.

De andere sloep werd gestreken. Met moeite maar in uiterste krachtsinspanning, want er stonden tien mensenlevens op het spel. Zes mannen gingen er in en trachtten zich af te zetten. De sloep kraakte en stootte tegen de harde huid van de Sandbergen. Een ogenblik slechts, toen sloeg ze om. Een benauwd moment werd het voor de vijftienjarige Jan Stegmeijer, die met zijn benen in het bootje beklemd zat. “Daar ga ik”, flitste het door hem heen, maar hij wist zich los te maken en kwam boven. Zijn makkers waren al bezig de sloep te keren. Alleen Henk Zijlemaker dreef af. Toch wist Kees van de Watering, een achttienjarige matroos, die zijn eerste reis maakte, de oudere kameraad nog een hand toe te steken. Het mocht hem niet lukken Zijlemaker aan boord te krijgen. Zij hoorden de man nog wat roepen. Toen dreef hij weg in de duisternis. Niemand heeft hem teruggezien.

En zo dreven deze vijf mannen in de storm urenlang, doornat, rillend van de kou en af en toe nog hopend op de reddingboot. Maar schipper Van der Meulen van de Neeltje Jacoba had de tanden op elkaar gezet: om kwart over vijf was hij op topsnelheid de vissershaven uitgevaren en worstelend tegen zware zeeën, wist hij om zes uur langszij van de Sandbergen te komen. De kapitein was een goede kapitein, hij wees de Neeltje Jacoba naar de sloep, die daar met vijf man ronddobberde en daarheen was het, dat schipper Van der Meulen het eerste ging. Vijf mannen, verkleumd en wel zaten spoedig veilig bijeen in de kajuit van de boot, die al zovelen veilig aan land heeft gebracht. Toen keerde schipper Van der Meulen terug naar de Sandbergen en nam de vier anderen aan boord. Op het laatste moment: kapitein Rossie moest hem nog wenken met de blauwe lamp, ten teken, dat het de uiterste nood was. Vijf minuten later zonk het schip, de redding was net op tijd.

De schijnwerpers van de Neeltje Jacoba zochten verder de zee af. Er was immers nog een matroos zoek. Misschien, zo hoopten zij, zouden ze hem nog zien. Zij vonden hem niet en moesten het zoeken overlaten aan de loodsboot „Deneb”, die kort na de reddingboot op de plaats van het ongeluk was aangekomen. De hele morgen heeft de „Deneb” gezocht, zonder resultaat.

In dikke zeeën kwam de Neeltje Jacoba de pieren binnen. Aan de wal waren allemaal journalisten. Het is halfacht als de Neeltje Jacoba aanlegt aan de steiger van het havenhoofd van de Vissershaven. In dekens gehuld verlaten kort na elkaar de mannen het schip. De heer Bakker, colonneleider van het Rode Kruis, brengt ze in zijn auto naar Augusta en daar zijn ze nu gaan slapen, na een lange en bange nacht, beroofd van alles wat zij hadden, van hun kleren, hun papieren, hun koffers, die zij niet aan boord van de sloep konden krijgen.
“Het was een fijne schuit”, zeggen ze. Een klein kustertje ja, 499 bruto register ton
en 700 ton laadvermogen.

Negen mannen slapen in hotel „Augusta”. Eén is er niet bij: Zijlemaker. Zijn makkers moeten er niet aan denken, dat diens vrouw nu thuis zit, een kind verwacht en haar man nooit terug zal zien. Maar zo is de zee, heeft de lichtmatroos gezegd: ze geeft en ze neemt. Een oude zeemanswijsheid, die helaas ook nu weer is opgegaan.

In het museum is nog meer over de Neeltje Jacoba, de KNRM en schipper Van der Meulen te zien.

Bronnen: Het Vrije Volk, marhisdata.nl, ou-castricum.nl, boek: Brekers en branding