Kaairidders

Het ‘kaairiddersgilde’ is geleidelijk ontstaan na opening van de Vissershaven (1896). In de beginperiode werd de vis – onder toezicht van een schuur- of walbaas – gelost door de opvarenden en gesorteerd door schuurpersoneel. Als er meer dan één trawler van een maatschappij aan de afslag was, dan mocht de walbaas losse krachten aannemen die per boot – ongeacht de hoeveelheid vis – twee gulden verdienden. De lanenboener verdiende één gulden vijftig. Een losploeg bestond destijds uit twee ruimgasten, een reepman bij het luikhoofd, drie mannen aan de hijstouwen, een plankman, een sleper, twee of drie pakkers (sorteerders) en een lanenboener. Bij het losloon was tevens inbegrepen dat de losploeg de trawler moest overhalen naar de zuidzijde van de haven. Een vletterman bracht eerst een tros naar een remstoel en vervolgens naar de wal. Met handkracht werd de zware trawler naar de overkant getrokken.

Elke rederij had één of meer vaste losploegen in dienst maar als er meer trawlers aan de afslag waren dan kon de walbaas kiezen uit tientallen losse kaairidders. Op deze wijze ontstond er willekeur. De walbaas klom aan boord van een trawler en monsterde vanaf de steven de opdringende vislossers. Dan dwaalden zijn ogen over de achterhoede en bleven rusten op de opgestoken rechterhanden. Eén opgestoken vinger betekende een borrel, twee vingers een borrel en een sigaar en drie vingers twee borrels en een sigaar. Duim rechts betekende dat de consumptie kon worden opgenomen bij Marcuse, Kruidbos of Huier, duim links hield in dat de betreffende kaairidder de klandizie gunde aan Kempema of Koningstein.

Ondanks dat het niet meeviel onder dikwijls barre weersomstandig-heden een trawler te lossen of in een gladde, tochtige vishal de vis te sorteren, was de animo groot. De kaairidders zwierven in die tijd (voor WOII) hele nachten langs de haven om er bij te zijn als er een trawler de haven binnenliep. Kwam er een trawler in het zicht, dan gingen enige kaairidders op een holletje de walbaas waarschuwen, in de hoop bij de losploeg te worden ingedeeld. Ook verzonnen zij allerlei smoesjes om hun makkers de verkeerde kant op te sturen als er een walbaas vislossers nodig had.

Als tijdens slecht weer een ploeg vislossers ging schuilen in een lege vrachtwagon achter de vishal, dan is het meermalen voorgekomen dat hun medearbeiders de wagon aan de buitenkant vergrendelden, om zodoende de ploeg uit te schakelen. Een walbaas met een bepaalde levensbeschouwing bevoordeelde uitsluitend geloofsgenoten, andersdenkenden kwamen niet in aanmerking. Jaren later is er een vislosregeling ontworpen, die de kaairidders beurtelings een losbeurt garandeerde.

Theo werkte in de bouw, maar was stiekem ook kaairidder. Na het werk of bij vorstverlet kon je in de haven goed bijverdienen. In IJmuiden kon alles, je kon altijd werken als je wilde: trawlers schilderen, werken op een baggerschip of in de kolenhandel. Soms werkte je ook op de naam van iemand anders. Er waren zoveel bedrijven, je kon overal werken.

In de vishal gebeurde van alles. Op alle manieren werd er vis ‘geronseld’ en meestal was dat de beste vis. Kaairidders verdienden meer naast het werk. Ze gingen met een heel wijde overall het ruim in en kwamen twee keer zo dik weer naar boven. Er zat vooral dure vis in de overal, zo op het blote lijf. Ze verkochten dit bij hun ‘adresjes’ en hadden een welkome aanvulling op het salaris.

Henk Viskil heeft zijn hele leven bij de visafslag gewerkt en is drie jaar geleden gepensioneerd. Hij is geboren in de Bloemstraat in Oud-IJmuiden. Toen deze huizen zijn gesloopt, is hij naar de Saturnusstraat verhuisd. Op 1 januari 1965 trad Henk als leerling afslager in dienst bij het Staatsvissershavenbedrijf. Hij werd ambtenaar, dat betekende dat je het goed had. Hij herinnert zich zijn eerste werkdag nog goed. Hij kreeg een afslagboekje in zijn handen gedrukt en moest alles opschrijven wat hij hoorde.
‘Het duizelde me van de vreemde en onbegrijpelijke woorden,’ vertelt hij. ‘In één dag werd ik ondergedompeld in een nieuwe wereld. De roeper op de mondelinge afslag riep in rap tempo vissoorten, hoeveelheden en bedragen om. Vervolgens moest je leren ‘tellen’ en werd je opgeleid als verkoper. De verkoper regelde de telling, de afslag. Leerling-afslagers moesten verschrijven: koper, aantal kilo en prijs. Na leerling werd je hulpafslager en als laatste afslager. De eerste afslager was de deler, hij tikte af en bepaalde wie de vis kreeg.

Als afslager had je wisselende werktijden. Soms moest ik om twaalf uur beginnen tot einde afslag. Dat was afhankelijk van de hoeveelheid aangevoerde vis. Anderen begonnen om vijf uur, zij controleerden of de halbedienden de hal goed hadden schoongemaakt. We kregen handje contantje uitbetaald. Wel op kantoor, je was tenslotte ambtenaar.

Het gezin Viskil was bekend met de vis. Henks vader werkte als kaairidder en loste de vis van de aangekomen schepen. Hij stond op de zogeheten A-lijst, een lijst met tweehonderd vaste kaairidders die op het kantoor van het Centraal Administratiebureau aan de Zuidzijde hing.
De afslag was vroeger groter dan nu en liep van de Halkade tot aan het havengebouw. De pakhuizen zaten erboven. De visbrug verbond de afslag – bij het havengebouw – met het spoor. Aan de overkant lagen de perrons en een grote loods van de NS.

Op maandagmorgen voeren de schepen uit. Per paard en wagen werden ze bevoorraad met ijs. Later gebeurde dit met vrachtwagens. Er voeren trawlers, botters en kotters. De trawlers hadden een vermogen van zeshonderd PK, de kotters hadden tweehonderd PK of werden door zeilen aangedreven. De huidige kotters hebben tweeduizend PK. De boten kwamen niet alleen uit IJmuiden. Ook Katwijk, Egmond, Urk, Goedereede, Texel, Scheveningen en Den Helder hadden in IJmuiden hun thuishaven. Het personeel kwam met bussen naar de haven. De boten bleven tien dagen tot drie weken op zee.

Als de schepen aanlegden met hun vangst, regelden walschippers het lossen en sorteren van de vis, de besommingsbrieven en de betaling. Halverwege de jaren zestig werden ‘de lijsten’ afgeschaft en kwamen de lossers in dienst bij de factorijen. In die tijd werd ook de vrije zaterdag ingevoerd. Het werk bracht minder op en veel mannen verruilden hun werk voor een baan bij de Hoogovens. De walschippers verdwenen en daar kwamen de factorijen voor in de plaats.

De gesorteerde vis ging in houten kisten naar de afslag; kolen (koolvis) en jumboschelvis in grote kisten van honderdvijfentwintig kilo, de overige soorten in kisten van veertig kilo. De tongen werden afgeslagen in de Mijnzaal. Beneden werden andere vissoorten verkocht, zoals tarbot, kabeljauw, schol en de overige verse vis. Makreel en haring was hiervan gescheiden. De vis werd ter plaatse verkocht door de afslager en de deler. “Er stonden tien tot honderd kopers om je heen.’’ Als de vis verkocht was, haalden de visknechten in dienst van de kopers, de vis op.

In de visserijzalen in het museum is nog veel meer informatie over de visserij te vinden.

Bronnen: stichtingkist.nl, ontdekoudijmuiden.nl, beleefoudijmuiden.nl, bibliotheek Zee- en Havenmuseum, boek: bles voor de kop van C. van Es.