In Scheveningen meldde de havenbediende-seinwachter op het seinhuis op 31 januari 1953 om 12.00 uur een weersgesteldheid van windkracht 8 uit het Westen met hevige regenbuien. In de binnenvoorhaven liep nog slechts een matige deining. Al om 18.00 uur moest hij een windkracht 9 uit het West-Noordwesten in zijn journaal noteren. De loodsdiensten van Rotterdam werden gestaakt. Kort daarna schoot de wind uit naar het Noordwesten. Een ongekend hoge zee stuwde het water van de Noordzee richting Nederlandse kust.

Een stuurloos geraakte vrachtvaarder naderde, overgeleverd aan de elementen, de kust. Het vaartuig, de ‘Carthage’ uit Tunis, strandde uiteindelijk ter hoogte van het Savoy hotel. Intussen had de waterhoogte een zodanige stand bereikt dat door de aanstormende golven het seinhuis gevaar liep. Door alle deuren van het seinhuis stroomde het zeewater naar binnen. De borstwering voor het seinhuis had het al begeven. Het water reikte tot enkele meters achter het seinhuis. Op het hoogtepunt van de storm stonden de tuien van de seinstelling op knappen. De lantarenverlichting op de basaltglooiing begaf het door de metershoge golven. Op de havenhoofden had het groene licht het begeven, terwijl het rode licht kuren begon te vertonen. Aan de duindorp-kant van de buitenhaven was door het woeste water een diep gat in de basaltglooiing geslagen.

Aan kaden van de haven zelf lag juist in die dagen een grote aantal kantjes haring gereed om met coasters verscheept te worden naar Oost-Duitsland. Door het extreem hoge water raakten circa 10.000 kantjes haring in de haven. Door de visafslag stroomde het water en reikte tot aan de Koppelstokstraat toe. In de zuidelijke oever van het Verversingskanaal was een gat van 70 bij 10 meter geslagen. Kabels en de persleiding van het riool kwamen aan de oppervlakte. De duinen ten zuiden van het Verversingskanaal raakten sterk afgeslagen.

In het oude dorp was het niet veel beter. Wat vrijwel niemand voor mogelijk had gehouden was toch gebeurd. Het ongekend hoge zeewater sloeg, omstreeks 5 uur in de ochtend van de 1e februari, met grote golven over de boulevard. Voor hotel Rauch was een diep gat in de weg geslagen. Het water kreeg daar de vrije loop en drong de huizen en winkels van de lager gelegen Keizerstraat binnen.

De slechts materiële schade op Scheveningen stond in geen enkele verhouding tot hetgeen er op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden had plaatsgevonden. Om 2 uur ‘s nachts, nog 3 uur voor het verwachte hoogwater, luidden daar reeds de kerkklokken en loeiden er sirenes over de kleine steden en dorpen. Op tientallen plaatsen stond daar het water tot aan de kruinen van de dijken. Niet minder dreigend werd het water in Zeeuws-Vlaanderen, West-Brabant en de Krimpenerwaard. Deze ramp kennen wij nu als de watersnoodramp van 1953. In totaal zijn tijdens de grootste watersnoodramp in Nederland tenminste 1.795 mensen omgekomen, is 200.000 hectare land onder water gelopen, tenminste 187.000 dieren omgekomen, werden 3.000 huizen en 300 boerderijen verwoest en 72.000 mensen werden geëvacueerd.

Tijdens de watersnoodramp zijn 9 schepen op de Noordzee met man en muis vergaan. Onder deze 9 schepen waren 3 Nederlandse schepen: de Salland, de Westland, beide coasters, en de stoomtrawler Catharina Duyvis.

De Catharina Duyvis vertrok op 6 januari 1953 uit de haven van IJmuiden. Op 19 januari heeft het schip zijn gevangen vis in de Engelse haven Grimsby aan wal gebracht en verkocht. De bedoeling was nog hooguit veertien dagen te vissen en die vis in IJmuiden aan de markt te brengen.

Toen de trawler op 31 januari, evenals vele andere schepen, door het slechte weer werd overvallen, meldde de schipper via de radio dat hij zou gaan bijliggen op 20 mijl ten noordwesten van IJmuiden. Bijliggen betekent met een schip op lage snelheid en met de kop tegen de wind en zeegang in, een storm over laten komen. Door de hevige storm en de daarmee gepaard gaande hoge golven kon het schip de haven van IJmuiden niet binnenlopen.
Het slechte weer en de hoge golven leverde voor de Catharina Duyvis geen problemen op. Op 1 februari had schipper Glas via de radiozender nog een gesprek gehad met de schipper van de Flamingo (IJM 25). Schipper Glas heeft toen verteld dat hij bijlag. Over eventuele problemen aan boord heeft hij niet gesproken. De schippers spraken af diezelfde avond opnieuw met elkaar te spreken.

De Tijd gaf op 7 maart 1953 een verslag van het laatste etmaal van de Catharina Duyvis:
Op zaterdagmiddag 31 januari bevond het schip zich op 18 mijl van de veilige haven IJmuiden. Schipper Arie Glas had om 3 uur radiocontact en meldde dat er niks loos was. “Er staat wat zee en er is een flinke bries, maar we gaan d’r door”. Er was op dat moment nog voor 24 uur kolen aan boord, ruim voldoende om thuis te komen, maar niet voldoende om op zee een storm af te wachten, te ‘steken’ op zee. “Het waait, ja, maar we gaan d’r door.” Drie uur later zette hij het schip recht op de golven: het was gaan orkanen en de schipper was gedwongen toch te steken, door de enorme zeegang waren de ruiten uit de brug geslagen.
Om 8 uur meldde hij zich weer en in zijn stem klonk angst door, hij bleef anderhalf uur in de lucht. “Mijn ruiten zijn stukgegooid. Ik kan niemand verstaan. Ze zijn op de brug aan het timmeren, want de boel moet dicht.” Hij waarschuwde de schepen in de buurt:
Het schip trok langzaam weg van de kust. Zondagmiddag om één uur was de schipper er weer. Het schip bevond zich op 40 mijl noordwest van IJmuiden. In het kwartier dat de kapitein in de lucht was, heeft hij niet veel meer gezegd. Hij herhaalde zijn boodschap: “Kom niet in mijn buurt want het stinkt hier”. Na een “tot vanmiddag een uur of vier, vijf” brak hij af. Dat was het laatste wat vernomen is

Het plotseling met man en muis vergaan van de Catharina Duyvis blijft een raadsel dat veel leed heeft veroorzaakt in IJmuiden en omgeving. Het schip bevond zich op een drukke scheepvaartroute en in de nabijheid van de Nederlandse kust. Was het op een mijn uit de tweede wereldoorlog gelopen? Was het op één van de vele wrakken die op de bodem van de Noordzee liggen gelopen? Was de brandstof op of was het schip verpletterd door één of meerdere grondzeeën.

Het antwoord zal nimmer gegeven worden.

Half februari 1953 werd op het strand van Wijk aan Zee een lamp aangetroffen die afkomstig kan zijn geweest van de Catharina Duyvis. Er is later ook één opvarende aangespoeld.
Toen men in september 1954 op zee naar het verongelukte KLM-vliegtuig ‘Willem Bontekoe’ zocht, stuitte men op circa 16 kilometer uit de kust van Egmond aan Zee op het wrak van de gezonken Catharina Duyvis.

Ook het wrak van de Catharina Duyvis wordt door duikverenigingen bezocht. Een verslag van Ron Offermans: van de Catharina Duyvis of IJmuiden 60 is niet veel meer over. Slechts een klein gedeelte van het achterschip en een stoomketel steken nog boven het zand uit. Je kunt een heel klein stukje in het nog resterende achterschip. Bovenop dit gedeelte is de stuurinrichting nog te herkennen. Aan bakboord staan de bolders waar de trossen nog omheen lijken te zitten. Waarschijnlijk is de stoomketel tijdens het zinken geëxplodeerd. Bovenop de ketel lijkt een deksel met geweld te zijn losgerukt en staat nu in een hoek van 90 graden bovenop de ketel. Meer naar de boeg resteren nog een paar enkele spanten. Waarschijnlijk ligt het grootste gedeelte van het schip onder het zand.

In het museum is o.a. dit schilderij van de Catharina Duyvis van Fred Boom te zien.

Bronnen o.a.: zeeuwsarchief.nl, descheveninger.nl, R. Offermans, B.v.d.Kruk